Hoogbegaafdheid en Beelddenken

Beelddenken en hoogbegaafdheid

Als na onderzoek is vast komen te staan dat een kind hoogbegaafd is, worden onderzoeksresultaten en IQ score waaruit blijkt dat het kind een IQ van 130 of hoger heeft aan de school overgedragen.
Vaak luidt het advies van de onderzoeker aan school een plan van aanpak te maken, waarbij het kind op niveau mag leren en mag deelnemen aan een verrijkingsklas. Dit alles voor de omgang met ontwikkelingsgelijken en om mede daardoor te kunnen bouwen aan een positief zelfbeeld.

In veel gevallen heeft de school dus al pogingen gewaagd om het kind aan het uitdagende werk te zetten. En toch alle inspanningen ten spijt, lukt het vaak niet.

Waar zit dan mogelijk het probleem?

Vaak wordt het volgende beeld geschapen :

Het kind deed het tot groep 3 prima, daar werd al duidelijk dat het om een slim kind ging.
Echter in groep 3 ontstaat een ander beeld:

  • Het kind komt niet vlot tot lezen.
  • Het kind lijkt ongeconcentreerd in de klassesituatie.
  • Het kind haakt af bij instructies.
  • Het kind heeft een hekel aan spelling en schrijven.
  • Het kind heeft moeite met de snelheid van denken bij b.v. rekenen. Het automatiseren komt niet op gang.
  • Het kind droomt vaak weg.
  • Het kind is erg chaotisch en rommelig.
  • Het kind geniet van knutselen, tekenen, leren in de natuur en bewegen.
  • Het kind heeft veel fantasie.

De kans is zeer groot aanwezig dat deze kinderen (na korte of langere tijd) gefrustreerd en in zichzelf gekeerd raken.
Ze hebben geen positief beeld (meer) van de school en doen daar ook weinig. Het lukt ze niet om zich te blijven zetten aan taken. Ze vinden zichzelf hoofdzakelijk dom. Begrijpen niets van de diagnose ‘hoogbegaafdheid’ en worden er vaak zelfs boos om.

Wanneer we beelddenken ‘bekijken’ dan zien we dat een beelddenkend kind vele malen sneller dan een taaldenker denkt. Een verschil van meer dan 20 beelden in een seconde tegenover 2 woorden per seconde.
Het grootste probleem van de beelddenker is dat hij tijd nodig heeft om taal om te zetten in beelden, die hem pas inzicht verschaffen. Deze tijd wordt vaak niet gegeven of door het kind genomen. Daar zit het belangrijkste probleem.
Als we bedenken dat zo’n 80% van hetgeen op school per dag voorbijkomt (kringgesprekken, uitleg, instructies, leeslessen, gesprekjes, schrijven) talig is, dan begrijp je dat het voor een beelddenker zeer vermoeiend (in groep 3 zie je oververmoeide kinderen, die hun aandacht er niet meer bij kunnen houden) is.

De oefenstof wordt meestal gezocht in meer van hetzelfde (veel oefenbladen, alles moet af, fouten moeten worden verbeterd, lange instructies, meer uitleg).
Dit werkt in vrijwel alle gevallen demotiverend en er wordt weinig of geen vooruitgang geboekt.

De vragen moet dan worden gesteld:

  • ‘Hoe komt het dat er geen vooruitgang wordt geboekt?’
  • ‘Wat vraagt dat van mij als leerkracht?’

De oefenstof moet anders worden aangeleverd en uitgewerkt.
Hier zijn veel handvaten voor en voorbeelden van. De leerkracht die er niet in thuis is, geeft vaak het advies aan ouders ‘veel oefenen’. Sommige kinderen gaan in een jaar geen avi-niveau vooruit. Dat zegt veel over de manier waarop een kind moet leren. We constateren dat de aangeboden werkwijze geen vruchten afwerpt. Wat we veel zien is dat slimme kinderen extra moeten kleuteren (speels en behoefte aan bouwen en bewegen) en later weer advies tot doubleren krijgen. Dat klopt niet. Een slim kind leert op basis van inzicht en overzicht. Er is uitdaging nodig en veel boeiends en afwisseling. Het hoogbegaafde kind haakt af op saaie oefenstof. Als een kind geen vooruitgang boekt, moet worden bekeken, welke oefenmethodiek mogelijk wél aanslaat. De school moet, indien het zelf het probleem niet aankan, de ouders tijdig aanraden om de hulp buiten de school te zoeken. Er is n.l. geen rijpingsprobleem maar een vaardigheidsprobleem. ‘Hoe leer ik?’ Die vaardigheden moeten door professionals worden aangeleerd. De leerkracht heeft er vaak geen tijd voor én niet genoeg kennis over. Juist als het kind hoogbegaafd blijkt te zijn moet dit meer vragen oproepen.

‘Hoe kan het dat een uitzonderlijk slim kind niet op de gebruikelijke manier tot lezen komt?’

Het probleem zit hem ook in het aanbieden van specifieke materialen.
Welke materialen worden aangeboden aan hoogbegaafde kinderen op school?
Veel talig materiaal, waarbij het kind zelfstandig opdrachten moet uitvoeren én op een goede manier moet uitwerken. Juist voor de beelddenker een probleem. Werken volgens een plan moet worden aangeleerd. De mogelijkheid tot een goede begeleiding ontbreekt in veel gevallen. Het kind lijkt het wel te willen, maar het lukt eenvoudig niet. Het kind mist de ‘tools’.
Als we gaan zoeken naar materialen die meer een beroep doen op de sterke ruimtelijke en visuele leereigenschappen van de beelddenker, dan komt het plezier direct terug en gaat het kind aan de slag. En daar zien we de slimheid weer ‘terugkomen’.

Een hoogbegaafde kan altijd goed in beelden denken. Dat zorgt voor het snelle denken. De hoogbegaafde die het beeld- en taaldenken goed beheerst is vrijwel altijd de opvallende presteerder. Dit kind wordt gezien. De hoogbegaafde die sterk in beelden denkt en een probleem heeft met de talige taken, presteert alleen als tegemoet gekomen wordt aan zijn manier van denken. Dat vraagt aanpassingen van de leerkracht. Zo niet….dan zien we faalangst, een negatief zelfbeeld, ontlopen van taken, een hekel aan school, slechte prestaties.

Deze kinderen worden ook vaak naar faalangsttrainingen gestuurd. Volkomen onterecht. Faalangst is een gevolg van een situatie, waarin onvermogen wordt ervaren. De beelddenker ondervindt dat dagelijks, waarbij hij zelf geen invloed kan uitoefenen op wat hij nodig heeft. Hij snapt zelf niet eens wat in de weg zit.
De school die zijn werkwijze sluitend maakt, verwijst niet langer naar deze trainingen. De school die beelddenken serieus neemt, verhoogt zijn kwaliteit en zorgt dat deze 2 á 3% van de leerlingen weer met plezier verder kan leren.

Voor tips op school kunt u een afspraak maken met Bureau beeldvisie
U kunt een workshop volgen (ook op uw school), een praktische studiemiddag laten verzorgen of leren om kinderen middels een Beeld en Breinkaart leerstof aan te leren.
De reacties zijn verrassend en vrijwel altijd heeft de leerkracht de volgende dag zijn aanpak al (beginnend) aangepast. De kinderen komen nu ‘boven drijven’, er wordt anders naar deze kinderen gekeken en het belangrijkste; het gedrag van de kinderen verandert direct. De leerkracht die het beelddenken ‘in de vingers krijgt’ geniet meer van de omgang met alle kinderen omdat adaptief werken het antwoord is, wat kinderen erkent in hun aanleg en vaardigheden.